Reeshof

Het noordelijk deel van Stadsbos013 ligt deels in en grenst aan de woonwijk Reeshof. Op de manuscriptkaart uit 1760 komen in dit gebied plaatsnamen voor van eeuwenoude vennen of moerassen en een riviertje, zoals Witbrant, Lange Laar, Oude Ley, Gesworen Hoek en Huibe Ven.

Naam Reeshof
De Reeshof dankt zijn naam aan Charles Reij de Carle (1731-1802). In 1763 kocht Gijsbertus Steenbergensis (graaf Van Hogendorp van Hofwegen en heer van Tilburg en Goirle) voor ruim 192 gulden een stuk gemeentegrond van ongeveer 42 hectare, ten zuiden van de Heerevelden. In 1763 sloot hij met Charles Reij de Carle (gepensioneerd kapitein van het Staatse leger) een overeenkomst om een groot deel van de grond te ontginnen en te ontwikkelen.

Reij's Hof
Reij bouwde een groot buitenhuis: Reij’s Hof. Het huis met erf heette daarvoor Campen Hoeve of Heyhoef, maar werd nu Reij’s Hof. Het huis lag ongeveer in het centrum van het huidige Reeshofpark aan de Reeshofdijk. De vennootschap werd in 1767 beëindigd en Charles Reij kocht de hele onderneming, inclusief de Heerevelden voor een bedrag van 12.500 gulden.

Charles Reij de Carle bouwde een tweede en derde huis op het landgoed. Toen hij als kolonel weer in dienst ging, verkocht hij het buitengoed aan Jan de Rovere van Breugel uit Utrecht (1789) voor 10.000 gulden. De Reijshof werd 6 jaar later voor 15.000 gulden verkocht aan drie Belgen uit Hoogstraten. Zij wilden er een Franse en Latijnse school gaan vestigen, maar dit plan mislukte. Daarna kocht Petrus l'Hotellier, een priester uit Frankrijk, het landgoed. Zijn wens om er een huiskapel te vestigen, ging evenmin door. Op 11 februari 1813 werd de Reijshof openbaar verkocht. Zes kopers werden gezamenlijk eigenaar. Tussen 1813 en 1816 moesten het huis en de boerderij afgebroken zijn.

Inspirerend Tilburg
De Engelsman Joseph Marshall ondernam in de tweede helft van de achttiende eeuw lange reizen door een groot deel van Europa en schreef daarover twee boeken. Hij had vooral belangstelling voor de omstandigheden en de bijzonderheden van de landbouw.

Op zijn reis door Nederland maakt Marshall een omweg langs Tilburg. Hij wil namelijk het fijne weten van de bijzonder goed geslaagde ontginning van woeste heidegronden daar. Het gaat om de ontginningen die in de Reeshof werden ondernomen door Charles Reij de Carle. Het is duidelijk dat Reij’s onderneming aanvankelijk zeer succesvol was in de transformatie van vrijwel nutteloze heidegrond tot een rendabel gemengd bedrijf.

In het eerste deel van Marshalls boek 'Travels through Holland' laat de auteur ons persoonlijk kennismaken met Kapitein Reij. Hij beschrijft in grote lijnen de boerenhofstede, de opstallen en de landerijen. Reij komt tot leven doordat Marshall hem letterlijk citeert over zijn successen, mislukkingen en uitdagingen. Marshall ziet in de onderneming een lichtend voorbeeld.

Terloops lezen we hoe Reij’s hoeve was ingedeeld, dat hij daar een sobere huishouding voerde, en dat hij veel waarde hechtte aan het aandeel dat de nieuwe bewoners van ‘Reij’s hoeve’ (zijn ‘werknemers’) leverden aan het succes van deze ongebruikelijke manier van ondernemen en investeren.

Marshalls tekst is een uniek oor- en ooggetuigenverslag met betrekking tot een bijzonder stukje geschiedenis uit de ontwikkeling van Tilburg. 
Bron: Ed Schilders op www.cubra.nl/De-paap-van-gramschap