Het oude landschap

Op de manuscriptkaart uit 1760 van Diederik Zijnen bestaat het huidige Stadsbos013 uit heidevelden (de Hultensche Heide), zandheuveltjes, vennetjes en moerassen. Het westelijk gebied ' Klein Tilborg' strekt zich uit tot de Blood Beemden bij het riviertje de Donge. Oorspronkelijk is dit de naam van een groep boerderijen en de daarbij behorende landerijen, dicht bij de grens met de gemeente Gilze en Rijen. Klein Tilburg wordt al in 1591 vermeld als ‘Cleyn Tilborch by Holten’.

Onherbergzaam gebied
Het enige bos in het gebied is de (Oude) Warande, aangelegd in 1715. De Reeshof bestond ook uit heidevelden en vennen met namen als Gesworen Hoek, Huibe Ven, de Witsy en Witbrant. Ten westen en zuidwesten van de Warande zijn vele zandheuvels en enkele vennen zoals ’t Kolkven, ’t Rietven en de Blaak. Ten oosten van de Donge lagen de Byster Velde. Bijster is het Middelnederlandse woord voor verwilderd, woest of onherbergzaam gebied.

Riviertje de Donge
Het riviertje de Donge, in 1536 ‘die Dongh Aa’ genoemd, komt van het Germaanse ‘dunga-‘,  (zandige opduiking in moerassig land) en ‘ahwa’, (waterloop). De Donge is een typische laaglandbeek. Het heeft geen duidelijke bron maar is ontstaan doordat grond- en regenwater zich vanuit een groter gebied geleidelijk aan clustert tot een beek. Voor de Donge gaat het om het grensgebied tussen Alphen en Baarle-Nassau. Het riviertje heet Lei (tot in Riel), daarna Oude Leij (tot aan de spoorlijn Tilburg-Breda) en daarna de Donge.

Tijdperken
Het dal van de Donge en de Leij kennen hun oorsprong in de laatste fase van het Pleniglaciaal (koudste deel van laatste ijstijd). Brabant maakte tienduizenden jaren deel uit van een toendra- en poollandschap.

In Stadsbos013 zijn nog sporen terug te vinden van zo’n 700.000 jaar geleden, uit het Midden-Pleistoceen. Waar nu het Dongedal is, stroomde toen de Maas. Die heeft rivierzand en grind tot wel vijftien meter dikte afgezet, de zogenoemde 'Formatie van Sterksel'. Langs de Oude Rielsebaan en in de Witbrant zijn tijdens graafwerkzaamheden veel verschillende soorten keien naar boven gehaald. Zo'n opgegraven kei van meer dan een meter hoog, stond destijds bij de ingang van de Tilburgsche Waterleiding.

Al in de midden-steentijd (circa 5.500 jaar voor Chr.) waren de hoge zandruggen langs het water bewoond door rondtrekkende jagers. Stenen gebruiksvoorwerpen van deze eerste Tilburgers zijn aangetroffen in de Blaak en langs de Oude Rielsebaan.

In het begin van de veertiende eeuw bestond het gebied uit woeste heidegrond, met wat betere grond in de lagere Donge-beemden. Het betrof hier ‘gemene gronden’ of  ‘gemeynt’, gronden die in 1329  voor gemeenschappelijk gebruik waren uitgegeven aan de inwoners van Tilburg en Goirle door Hertog Jan III van Brabant en Rogier van Leefdael. Vanaf de achttiende eeuw zijn de gronden ontgonnen.